Het eerste luik van de hervorming van de personenbelasting omvat zestien maatregelen en verschillende overgangsregelingen, waarvan de gevolgen over meerdere aanslagjaren zullen worden gespreid. De hervorming zal dus niet voor iedereen hetzelfde voordeel opleveren. Twee belastingplichtigen met vergelijkbare inkomsten kunnen zeer verschillend worden getroffen, afhankelijk van hun gezinssituatie en de manier waarop zij hun beroepsactiviteit uitoefenen.
De verhoging van de belastingvrije som zal een groot deel van de bevolking ten goede komen, maar gaat gepaard met een geleidelijke vermindering van het huwelijksquotiënt, strengere regels voor bedrijfsleiders en de geleidelijke afschaffing van verschillende voordelen. Zelfstandigen die hun activiteit als natuurlijke persoon uitoefenen en bepaalde professionals uit de IT-sector profiteren daarentegen van nieuwe gunstige maatregelen.
De hervorming kan dus niet worden beoordeeld op basis van een gemiddeld voordeel: wat telt, is de impact op uw eigen profiel, aanslagjaar per aanslagjaar. In dit dossier analyseren we de belangrijkste maatregelen, gegroepeerd volgens de betrokken belastingplichtigen en de beslissingen die eruit kunnen voortvloeien, op basis van het door de Kamer aangenomen wetsontwerp.
IN DIT STADIUM
Het wetsontwerp werd door de Kamer aangenomen, maar bepaalde bepalingen moeten nog in het Belgisch Staatsblad worden gepubliceerd of via koninklijk besluit worden verduidelijkt. De hieronder beschreven maatregelen moeten dan ook onder dit voorbehoud worden gelezen.
Wat wil de hervorming bereiken?
Vooraleer we op de details ingaan, is het nuttig om de algemene logica van de hervorming te begrijpen, aangezien die elk van de maatregelen helpt verklaren.
De hervorming heeft in de eerste plaats tot doel het netto-inkomen uit arbeid te verhogen, onder meer door de belastingvrije som op te trekken en de werkbonus te versterken.
Tegelijk worden bepaalde voordelen die verband houden met de gezinssamenstelling of met vervangingsinkomsten verminderd, zoals het huwelijksquotiënt en de belastingverminderingen voor personen die een werkloosheidsuitkering ontvangen.
Ten slotte wordt het verschil in fiscale behandeling tussen zelfstandigen die als natuurlijke persoon werken en bedrijfsleiders verder aangescherpt. De eerste groep krijgt nieuwe voordelen, terwijl voor de tweede strengere voorwaarden zullen gelden. Afhankelijk van uw profiel zult u vooral met de ene of de andere beweging te maken krijgen.
Wat verandert er voor de meeste belastingplichtigen?
De belastingvrije som wordt verhoogd tot 2031
De centrale maatregel is de verhoging van de belastingvrije som, het eerste deel van het inkomen waarop geen belasting verschuldigd is. Het basisbedrag voor indexering zal tussen aanslagjaar 2027 en 2031 stijgen van 4.785 naar 6.230 euro. Na indexering bedraagt het beoogde bedrag 14.450 euro voor aanslagjaar 2030 en vervolgens 15.600 euro voor aanslagjaar 2031. Dit laatste bedrag moet nog door de volgende regering worden bevestigd. Het voordeel zou geleidelijk zichtbaar moeten worden in het maandelijkse nettoloon, naarmate de berekening van de bedrijfsvoorheffing via koninklijk besluit wordt aangepast.
Er is echter een belangrijke nuance. Het voordeel is voornamelijk gericht op beroepsinkomsten. Voor pensioenen en vervangingsinkomsten zal het effect grotendeels worden geneutraliseerd door een aanpassing van de overeenkomstige belastingverminderingen.
De werkbonus en de bijzondere bijdrage
Bescheiden arbeidsinkomsten krijgen een tweede stimulans. De fiscale werkbonus wordt versterkt voor lagere lonen, in lijn met de verhogingen van het minimuminkomen in 2026 en 2028. Daarnaast wordt de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid geindividualiseerd en worden de tarieven ervan aangepast, waarbij de maximale bijdrage mogelijk met de helft wordt verminderd. Het beoogde doel is de zogenaamde promotieval te verzachten die koppels treft waarvan beide partners werken.
Kinderen ten laste
Gezinnen met een of twee kinderen zullen hun voordeel zien toenemen. Tegen aanslagjaar 2029 zal de toeslag op de belastingvrije som voor het eerste kind worden gelijkgesteld met die voor het tweede kind, namelijk 2.650 euro voor indexering.
Voor grotere gezinnen zal het voordeel daarentegen minder uitgesproken zijn. De toeslagen vanaf het derde kind zullen voor de inkomstenjaren 2026 tot 2029 niet worden geindexeerd. De verhoging van het basisbedrag van de belastingvrije som zou voor de meeste gezinnen evenwel nog steeds tot een positief saldo moeten leiden.
Gezinnen die een deel van hun voordelen kunnen verliezen
Het huwelijksquotiënt
Het huwelijksquotiënt maakt het mogelijk om, wanneer een partner weinig of geen inkomen heeft, fictief een deel van het inkomen van de andere partner aan hem of haar toe te wijzen, tot maximaal 30 procent en binnen een bepaald plafond. De geleidelijke afschaffing ervan vormt voor eenverdienersgezinnen de belangrijkste keerzijde van de hervorming.
De geleidelijke uitdoving van het huwelijksquotiënt zal gebeuren via een verlaging van het plafond en niet via een vermindering van het percentage van 30 procent. Dit onderscheid is essentieel om het werkelijke fiscale verlies te beoordelen. Het plafond, dat is vastgesteld op een basisbedrag van 6.700 euro, of 13.490 euro geindexeerd voor aanslagjaar 2026, zal tussen aanslagjaar 2027 en 2030 met de helft worden verminderd en vanaf 2027 niet langer worden geindexeerd. In verschillende samenvattingen werd een ander tijdschema vermeld, vaak met 2029 als eindpunt. Het is echter aanslagjaar 2030 dat het einde van de vermindering markeert. Voor koppels waarvan beide partners de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, verloopt de uitdoving aanzienlijk trager en strekt ze zich uit tot aanslagjaar 2046.
Het werkelijke verlies zal echter beperkter zijn dan de daling van het plafond op het eerste gezicht doet vermoeden. Het mechanisme waarbij de belastingvrije som tussen echtgenoten kan worden overgedragen bij een gezamenlijke aanslag blijft behouden, en de verhoging van het basisbedrag komt beide partners ten goede. Het netto-effect zal dus afhangen van de verdeling van de inkomsten binnen het koppel en moet aanslagjaar per aanslagjaar worden beoordeeld.
PRAKTISCH AANDACHTSPUNT
De vermindering van het huwelijksquotiënt zal niet leiden tot een fiscaal verlies dat gelijk is aan de verlaging van het plafond. De verhoging van de belastingvrije som en de overdracht ervan tussen echtgenoten kunnen een deel van de impact opvangen. Voor eenverdienersgezinnen zal een projectie tot aanslagjaar 2031 het mogelijk maken om het theoretische verlies te onderscheiden van het werkelijke fiscale effect. De doorslaggevende variabelen zijn het inkomen van elke partner, de aanwezigheid van kinderen ten laste, het aanslagjaar en de leeftijd van de partners.
Alleenstaande ouder, werkloosheid en pensioenen
Ook andere voordelen worden volgens dezelfde logica beperkt. De toeslag op de belastingvrije som voor alleenstaande ouders zal vanaf aanslagjaar 2030 worden voorbehouden aan ouders die daadwerkelijk alleenstaand zijn, dat wil zeggen van wie het gezin op 1 januari geen andere personen omvat dan hun kinderen en bepaalde naaste familieleden. De bijkomende toeslag voor alleenstaanden met een laag inkomen blijft behouden en kan nog steeds worden omgezet in een belastingkrediet. De belastingvermindering voor werkloosheidsuitkeringen zal geleidelijk worden afgeschaft: vanaf inkomstenjaar 2026 wordt ze teruggebracht tot een kwart, waarna ze wordt opgeheven, onder voorbehoud van een overgangsregeling voor alleenstaande ouders met een of twee kinderen.
Gepensioneerden worden ten slotte op twee vlakken getroffen. De belastingvermindering voor pensioenen verdwijnt boven een belastbaar inkomen van ongeveer 70.570 euro. Daarnaast zal een gepensioneerde die na een volledige loopbaan een activiteit als werknemer voortzet, vanaf 2027 afzonderlijk worden belast tegen 33 procent op die bezoldiging, zonder beperking wat betreft de aard van de taken of het bedrag.
Zelfstandige of bedrijfsleider: twee verschillende fiscale trajecten
Dit is wellicht de duidelijkste tegenstelling binnen de hervorming. Voor zelfstandigen die als natuurlijke persoon werken, worden twee nieuwe voordelen ingevoerd. Voor bedrijfsleiders worden verschillende voorwaarden aangescherpt. Dezelfde hervorming stuurt beide statuten dus in tegengestelde richtingen, wat niet zonder belang is voor wie nog twijfelt tussen een activiteit in eigen naam en via een vennootschap.
De zelfstandige als natuurlijke persoon: twee nieuwe mogelijkheden
Zelfstandigen krijgen in de eerste plaats een nieuwe aftrek. Die is voorbehouden aan belastingplichtigen van wie de inkomsten bestaan uit winsten of baten en sluit bedrijfsleiders dus per definitie uit, aangezien hun inkomsten als bezoldigingen van bedrijfsleiders worden belast. De maatregel is van toepassing op inkomstenjaar 2027 en stelt een eerste schijf van de winst vrij, met een geindexeerd bedrag van ongeveer 620 euro, dat daarna verder zal stijgen.
In de praktijk wellicht belangrijker is dat de belastingvermeerdering wegens onvoldoende voorafbetalingen vanaf inkomstenjaar 2026 verdwijnt voor zelfstandigen die als natuurlijke persoon werken en voor meewerkende echtgenoten. Vennootschappen en bedrijfsleiders vallen niet onder deze maatregel. De afschaffing betekent niet dat voorafbetalingen geen zin meer hebben: de bonificatie blijft bestaan en voorafbetalen blijft een keuze inzake cashflowbeheer, waarbij men de behouden liquiditeit afweegt tegen de mogelijke belastingvermindering. Een zelfstandige die ervoor kiest geen voorafbetalingen meer te doen, zal wel voldoende liquiditeiten moeten reserveren om de belasting later te kunnen betalen, zodat het uitstel van betaling niet uitmondt in een liquiditeitsprobleem.
De bedrijfsleider: de bezoldiging opnieuw bekijken
Om het verlaagde tarief van de vennootschapsbelasting te behouden, zullen bepaalde kleine vennootschappen voortaan aan minstens een bedrijfsleider een minimale bezoldiging van 50.000 euro moeten toekennen, behalve wanneer hun belastbare winst lager is dan dit bedrag. Vennootschappen die net boven de vroegere drempel zaten, zullen hun bezoldigingsbeleid opnieuw moeten bekijken.
Een verhoging van de bezoldiging is echter niet noodzakelijk de voordeligste oplossing. De bijkomende kost in de personenbelasting en sociale bijdragen moet worden afgewogen tegen de besparing die de vennootschap realiseert door het verlaagde tarief te behouden. De analyse moet betrekking hebben op het volledige verloningspakket van de bedrijfsleider: bezoldiging in geld, voordelen van alle aard, dividenden, pensioenverbintenissen en kostenvergoedingen.
Daarnaast wil de hervorming het gewicht van forfaitaire voordelen van alle aard ten opzichte van de brutobezoldiging beperken. De maatregel treft voornamelijk bedrijfsleiders die een relatief lage bezoldiging in geld ontvangen, aangevuld met bijvoorbeeld een wagen, een woning, de betaling van privekosten of een lening tegen een voordelige rentevoet. Het principe van de beperking lijkt vast te staan. De belastbare grondslag en het fiscale mechanisme moeten echter nog worden bevestigd op basis van de tekst die in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd. Het zou daarom voorbarig zijn om bestaande verloningspakketten uitsluitend op basis van de eerste commentaren te wijzigen.
DE AFWEGING DIE MOET WORDEN VOORBEREID
De betrokken bedrijfsleiders zullen moeten nagaan of hun bezoldiging de nieuwe drempel bereikt en welk aandeel de forfaitaire voordelen in hun pakket vertegenwoordigen. Het doel is niet alleen om aan een voorwaarde te voldoen, maar om de meest coherente combinatie van verloningsvormen te bepalen vanuit fiscaal, sociaal en financieel oogpunt. Hiervoor moet rekening worden gehouden met de belastbare winst van de vennootschap, het marginale belastingtarief van de bedrijfsleider, zijn of haar sociale bijdragen en de bestaande vormen van verloning.
De terugkeer van auteursrechten voor de IT-sector
Een van de meest verwachte maatregelen is de heropening van het auteursrechtenregime voor softwareontwikkelaars, die sinds 2022 van het regime waren uitgesloten. Inkomsten die vanaf 1 januari 2026 worden betaald of toegekend, komen opnieuw in aanmerking: code, scripts en softwaremodules kunnen opnieuw aanleiding geven tot een vergoeding die als roerend inkomen wordt belast.
Het regime keert echter niet in zijn vroegere vorm terug. Door de gelijktijdige afschaffing van het forfait voor kosten stijgt het effectieve belastingtarief van ongeveer 7,5 procent naar 15 procent. Het fiscale voordeel is dus aanzienlijk kleiner dan voor 2022, hoewel het nog steeds reeel blijft in vergelijking met een bezoldiging die tegen het marginale belastingtarief wordt belast.
Bovendien betekent het feit dat een ontwikkelaar in aanmerking komt niet dat zijn volledige bezoldiging in auteursrechten kan worden omgezet. Er moet nog steeds een werkelijk beschermd werk worden geidentificeerd, de overdracht of licentie ervan moet worden georganiseerd, de overeenkomstige vergoeding moet worden gedocumenteerd en de sinds 2022 geldende grenzen moeten worden nageleefd: een absolute grens van ongeveer 77.000 euro, een relatieve grens van 30 procent van de bezoldiging en een gemiddelde dat over vier jaar wordt beoordeeld. Een laatste aandachtspunt betreft de sociale behandeling: die werd niet gewijzigd, zodat het auteursrechtenregime voor software uitgesloten blijft van de vrijstelling van sociale bijdragen. De fiscale en sociale behandeling vallen dus niet langer samen en elke overeenkomst moet vanuit beide invalshoeken worden onderzocht.
Wat moet u nu doen?
Geen enkele beslissing zou mogen worden genomen op basis van een aangekondigd gemiddeld voordeel, aangezien dat gemiddelde te uiteenlopende situaties omvat om als individuele maatstaf te dienen. De eerste stap bestaat erin om van de zestien maatregelen te bepalen welke daadwerkelijk op uw profiel van toepassing zijn en vervolgens hun gecombineerde effect over meerdere aanslagjaren te berekenen. De meeste maatregelen worden stapsgewijs ingevoerd tot 2031, en een analyse per jaar brengt evoluties aan het licht die achter een gemiddelde verborgen blijven.
Sommige herstructureringen kunnen bovendien beter nog even wachten. Zolang de uitvoeringsbesluiten en de in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde tekst niet bekend zijn, is het voorbarig om een verloningspakket te wijzigen of voorafbetalingen stop te zetten uitsluitend op basis van de beschikbare samenvattingen. De hervorming moet dus nu al worden voorbereid, maar onomkeerbare beslissingen worden bij voorkeur pas genomen zodra het wettelijke en reglementaire kader voldoende is gestabiliseerd.
In 30 seconden
✅ Hervorming goedgekeurd op 10 juli 2026, nog te publiceren in het Belgisch Staatsblad, met gevolgen gespreid van 2026 tot 2031
✅ Belastingvrije som verhoogd tot 14.450 euro voor aanslagjaar 2030 en vervolgens 15.600 euro voor aanslagjaar 2031
✅ Huwelijksquotiënt: plafond tussen 2027 en 2030 gehalveerd, met een verzachting dankzij de overdracht van de belastingvrije som
✅ Zelfstandigen als natuurlijke persoon: nieuwe aftrek en afschaffing van de belastingvermeerdering wegens onvoldoende voorafbetalingen
✅ Bedrijfsleiders: minimale bezoldiging verhoogd tot 50.000 euro en strengere omkadering van forfaitaire voordelen van alle aard
✅ IT-sector: auteursrechtenregime opnieuw opengesteld, maar met een aanzienlijk kleiner fiscaal voordeel
✅ Werkloosheid en alleenstaande ouders: strengere voorwaarden; belastingvermindering voor pensioenen afgeschaft boven ongeveer 70.570 euro
✅ Neem geen beslissing op basis van een gemiddeld voordeel: analyseer maatregel per maatregel en aanslagjaar per aanslagjaar
.png)